Contact | Nieuwsbrief | Sitemap
Voor nadere gegevens: zie via "oeuvre": "oeuvre chronologisch ", "oeuvre alfabetisch"
of RISM-lijst.
Wij hebben voornamelijk geput uit BOSSUYT, IGNACE. Willaert Adriaan (ca. 1490-1562).
Leven en werk. Stijl en genres. Leuven, 1985, p. 89- 154, waar nog verder wordt ingegaan op de kenmerken van die composities.
Met de miscomposities treedt Willaert grotendeels in het
voetspoor van zijn leermeester
Mouton, die als een van de eersten parodiemissen
schreef. De missen die Willaert schreef zijn alle parodiemissen, slechts één is een cantus-firmusmis.
Liber quinque missarum
vermoedelijk 1527 - 1536
In 1536 uitgegeven door Francesco Marcolini da Forli, Venetië.
(RISM W 1103 - 1536a)
Bevat volgende vierstemmige missen, alle parodiemissen :
Missa 'Benedicta es'
Parodiemis op een motet van Josquin Desprez
Handschrift o.m. in de bibliotheek van de Illustre Lieve Vrouwe
Broederschap te
's Hertogenbosch (codex 72A)
Wordt ook toegeschreven aan de Franse componist Nicolle des Celliers de Hesdin, +1538
Missa 'Quaeramus cum pastoribus (versie 2) (eveneens op een motet van Mouton)
authenticiteit betwijfeld
Missa 'Mente Tota'
Zesstemmig
vermoedelijk uit de jaren ca. 1516 - 1521, want
te situeren tijdens het pontificaat van paus Leo X (1513 - 1521)
Vertrekt van de quinta pars van Josquins motet Vultum tuum
deprecabuntur
Handschrift o.m. in de Sixtijnse kapel (codex 16)
Uitgegeven en toegelicht door René Lenaerts in Musica Sacra, Mechelen,
jg.
42 (1935) p. 153-165
Missa 'Mittit ad virginem'
zesstemmig
gebaseerd op een eigen motet uit de Musica Nova van 1559
vermoedelijk uit de jaren 1559 - 1563, want ter ere van hertog Alfonso II, hertog van Ferrara
Handschrift in een codex te Modena
Missa (zonder titel, met cantus firmus waarschijnlijk op een
soggetto cavato mi ut mi sol))
Vijfstemmig
Handschrift in de bibliotheek van de Illustre Lieve Vrouwe
Broederschap te 's Hertogenbosch (codex 72A)
Kyrie [Cunctipotens genitor]
vierstemmige cantus firmuszetting.
2. Motetten of Cantiones Sacrae
"In zijn motetkunst bracht Willaert een prachtige synthese
tot stand tussen een aantal traditioneel-Nederlandse technieken en een meer naar
de toekomst gerichte, en o.m.
door zijn toedoen vooral in de "Venetiaanse
school" toegepaste schrijfwijze."
Bossuyt, 1985.
"Nog al te vaak wordt er in de hedendaagse muziekwetenschappelijke literatuur van uitgegaan dat Latijnse motetten in een strikt religieus kader gesitueerd dienen te worden. Dit geldt niet in het minst voor het omvangrijke motetoeuvre dat Adriaan Willaert (ca. 1490-1562) gedurende zijn verblijf in Venetië - van 1527 tot aan zijn overlijden in 1562 - componeerde. Deze verhandeling wil door een bredere contextuele inbedding, die bestaat uit een nauwe verbinding van muziek-theoretische, -historische en -analytische beschouwingen, niet alleen een genuanceerdere kijk bieden op de zestiende-eeuwse genreproblematiek, maar vooral ook de motetproductie van Adriaan Willaert in een historisch juister perspectief plaatsen. "
Katelijne. Schiltz, Adriaan Willaert en de Venetiaanse motetpraktijk. Een onderzoek naar stijlbepaling , Katholieke Universiteit Leuven, 2001
Willaert componeerde in totaal ca. 175 motetten, waarvan ca. 80
vierstemmige,
51 vijfstemmige, 38 voor zes en
5 voor zeven stemmen, en tenlotte één driestemmig.
a. De Medici Codex:
een handgeschreven koorboek uit 1518 met motetten, opgedragen
aan Lorenzo de Medici, hertog van Urbino.
Volgende 7 motetten zijn van Adriaen Willaert:
Zie: Lowinsky, Edward E. ed. The Medici Codex of 1518. A
Choirbook of Motets
Dedicated to Lorenzo de Medici, Duke of Urbino, 3 vol.,
Chicago-Londen 1968
(= Monuments of Renaissance Music 3-5).
b. De Rusconi Codex: genoemd naar de 18e-eeuwse
bezitter, eveneens in 1518
Is een handgeschreven koorboek met een kleine honderd nummers.
Adriaen Willaert is er vertegenwoordigd met drie motetten:
c. Het eerste motet van Willaert dat werd gedrukt, verscheen reeds in 1519, nl. in de
Motteti de la corona. Libro quarto van Ottaviano Petrucci. (RISM
15193)
d. Andrea Antico neemt in 1520-1521 in verschillende van
zijn publicaties een zevental
motetten op van Adriaen Willaert. (RISM
15202-3 en
15214-6-7)
e. Belangrijkste manuscriptenverzamelingen met motetten van
Adriaen Willaert uit die
periode bevinden zich:
- in Londen, The Royal College of Music (LonRC 2037 uit 1527-34) met
25 motetten
van Willaert
-in Rome, Bibliotheca Vallicelliana (RomeV S35 uit 1530-31) met
15 of 18 motetten
van Willaert op een totaal van 90.
Het handschrift, dat vermoedelijk van Florentijnse afkomst is en
dateert uit de jaren
ca. 1527-1530, bevat hoofdzakelijk composities waarin thema's
als vrede (Da pacem-
motetten), rouw en angst naar voor komen. Het werd
vermoedelijk samengesteld naar aanleiding van de beruchte Sacco di Roma (1527)
en de opstand die terzelfdertijd in
Florence losbrak tegen het Medicibewind.
f. Jacques Moderne publiceert in 1532 zijn achtdelige Motetti
del fiore. (RISM 1532/9 - 10 - 11)
Hij neemt zes motetten uit vroegere verzamelingen van Adriaen
Willaert op.
g. Vanaf 1528 drukt Pierre Attaingnant te Parijs muziek van
Willaert
In 1534 wordt dit een reeks van verschillende volumes motetten,
waaronder verschillende nummers van Willaert:
Waarvan volgende nieuwe titels:
In het "Liber primus" (RISM 1534/3)
In het "Liber secundus" (RISM 1534/4)
In het "Liber tertius" (RISM 1534/5)
In het «Liber quartus»(RISM 1534/6)
In het «Liber octavus» (RISM 1534/10)
In het «Liber duodecimus» (RISM 1535/4)
naast heel wat oudere Willaertnummers
h. Matthias Krüger uit Königsberg (D) vervaardigt tussen
1537 en 1544 verschillende manuscripten met motetten waarin liefst vijfentwintig
werken van Adriaen Willaert zijn terug te vinden.
Waaronder volgende nieuwe titels:
en daarbij ook 5 motetten, die elders niet terug te vinden zijn.
i. In diezelfde periode zijn nu ook Duitse drukkers
geïnteresseerd in motetten van Willaert.
In Frankfurt am Main: Formschneider (Grapheus) (RISM 1537/1 en
1538/3)
met volgende nog onuitgegeven nummers:
In Neurenberg: Petreius (RISM 1538/7)
met één nieuw motet:
In Wittenberg: Rhaw (RISM 1538/8)
met één nieuw motet:
In Straatsburg: Peter Schöffer drukt in 1539 enkele motetten
die hetzelfde jaar in Venetië waren verschenen
(RISM 1539/08)
j. Enkele drukkers uit Ferrara, onder wie Johannes de
Buglhat, werken in 1538 samen om een Liber Cantus triginta novem motetos uit
te geven. (RISM 15385)
Hierin staan negen, meestal oudere motetten van Adriaen Willaert
Nieuwe titels zijn:
k. Samen met Andrea Antico geven Scotto (Girolamo? Brandino? Ottaviano?) in 1539 te Venetië twee boeken
VIERSTEMMIGE MOTETTEN uit met hoofdzakelijk nieuwe nummers
Musica quatuor vocum (quae vulgo motecta nuncupantur)..liber
primus
(RISM W 1106 - 1539a)
Herziene heruitgave in 1545 (RISM 1107 - 1545)
vindplaatsen: B KBR (A, T) - D Mun (S,A,T,B) - E V (A; zonder
titelblad) - GB Lbl - I Bc(S), PLn (zonder S), Vib(S)
Motetti... libro secondo a quattro voci (RISM W 1108 - 1539b)
Herziene heruitgave in 1545 (RISM W1109 - 1545)
vindplaatsen: D Mun - I BolC
In liber secundus
m. Girolamo Scotto drukt in 1539 een verzameling
VIJFSTEMMIGE MOTETTEN, ook hoofdzakelijk nieuwe nummers, die hij ongewijzigd
herdrukt in 1550. (RISM W 1110 - 1539c / W 1111 - 1550a)
Musica quinque vocum (quae vulgo motecta nuncupantur) ... liber primus
n. Uit die periode (1540-60) zijn verschillende grote
manuscriptenverzamelingen bewaard met oude en nieuwe motetten:
De ms BolCQ27/1, BolCQ23 en 24, StuttL43 en SGallS463 met
hoofdzakelijk oude nummers
Het ms LucBS775 met ook enkele nieuwe nummers:
Het ms PiacD met 5 missen en 46 motetten en hymnen van Willaert waarvan volgende nummers nieuw zijn:
De nummers met * komen in geen enkel ander ms voor.
o. Antonio Gardano drukt in 1542 te Venetië een bundel
meest nieuwe ZESSTEMMIGE MOTETTEN
(RISM W 1112 - 1542a)
Musicorum sex vocum, que vulgo motecta dicuntur.... liber
primus
p. Cipriaan de Rore laat in 1544 te Venetië bij Antonio
Gardano een bundel motetten drukken onder de titel:
Cipriani musici eccelentissimi cum quibusdam aliis
doctis authoribus motectorum (RISM 15446)
bevat van Adriaen Willaert vier nieuwe motetten:
q. Antonio Gardano drukt in 1559 te Venetië de
prestigieuze bundel Musica Nova met 27 Latijnse motetten en
25 madrigalen (RISM W 1126 - 1559a)
de motetten:
Zie: Katelijne Schiltz (1966), De "Musica Nova"
(1558-1559) van Adriaan Willaert. De muzikaal-historische context. Een
analyse van de motetten. (zie bibliografie)
-fotokopie van de titelpagina in Bossuyt 1985, p. 70, afb. 32.
Belangrijke manuscripten uit die periode met motetten van
Willaert:
1561, Leuven, bij Petrus Phalesius gedrukt:
Liber primus: Moteta
quatuor, quinque, et sex vocum, nunc primum in lucem edita.
Liber secundus: Moteta cum sex et septum vocibus, nunc primum inlucem aedita.
(RISM W
1128 - 1561)
Bevat alle motetten uit de Musica Nova
3. Hymnen, psalmen e.a. liturgische werken
a. Hymnorum musica secundum Ordinem Romanae Ecclesiae eccellentissimi
Adriani Vuillart ac aliorum aectorum (hymnen voor de vespers) in 1542,
te Venetië gedrukt door Girolamo Scotto en in 1550 licht gewijzigd
herdrukt. (RISM W 1113 - 1542b en W 1114 - 1550b)
bevat 26 polyfone hymnen, waarvan er twee op naam staan van
Jachet van Mantua.
De hymnen vormen een cyclus, geordend grotendeels volgens het kerkelijk jaar.
Steeds worden de strofen afwisselend gezongen gregoriaans-polyfonie. In de polyfonie wordt terug verwezen naar het gregoriaans door het gebruk van de cantus firmus of een parafrase ervan. In twee hymnen, Vexilla regis (versie 2) en O iubar, zijn alle strofen meerstemmig uitgewerkt.
(Voor verdere uitleg, vooral in verband met het gebruik van de canon- en de cantus firmustechnieken, die zeer typisch zijn voor de hymnen, lees: Ignace Bossuyt. Adriaan Willaert, 1985, p. 115 - 116)
b. I salmi appertinenti alli vesperi per tutte le feste dell'anno,
parte a versi, et parte spezzadi accomoddati da cantare a uno et a duoi
chori, di Adriano et di Jachet. (RISM 1550/1)
1550, Venetië, Antonio Gardano
en daarna in 1557 onveranderd herdrukt
De bundel omvat 31 composities, bestaande uit 15
verschillende psalmen die in verschillende zettingen voorkomen. Met bijdragen
ook van Jan Nasco, Dominique Finot en Henricus Schaffen.
Bossuyt 1985, p. 152: "De belangrijkste (verzameling
liturgische werken) is ongetwijfeld de bundel vesperpsalmen uit 1550, waarin
de declamatiestijl, niet alleen vanuit zuiver muzikaal oogpunt, maar ook
aansluitend aan de liturgische noden, overheerst."
Schiltz 2003, p. 120-121: wellicht van de meest prominente
(en door Zarlino uitdrukkelijk geciteerde) vertegenwoordigers van de cori
spezzati-stijl".
p. 162 vn 5: "exclusief voor liturgisch
gebruik bedoeld"
Soorten:
a. salmi a versi con le sue risposti
:
Elk psalmvers wordt als een afzonderlijk geheel getoonzet in
een afwisseling van een eerste en een tweede koorgroep, eventueel ook uit te
voeren door één koor (psalmen 1 tot 12, waarvan zes door Willaert samen
met Jachet)
b. salmi a versi senza risposti:
alternatimcomposities waarbij oneven verzen in het
Gregoriaans afwisselen met even verzen in een vierstemmige zetting (de nrs
13 tot 23, geen enkel van Willaert)
c. salmi spezzati:
doorgecomponeerd in de zin dat er geen echte afsluiting
komt tussen de verzen of versfragmenten, doch alleen een verwisseling van
koorgroep. De tweede vierstemmige koorgroep zet dus reeds in terwijl de
eerste vierstemmige groep nog de laatste noot (of noten) van het vorig
vers uitvoert.(de nrs 24 tot 31, alle van Willaert)
c. I sacri e santi salmi che si cantano a Vespro et Compieta
con li suoi Himni, Responsorii et Benedicamus..
1555, Venetië, Antonio Gardano (RISM W 1123 - 1555)
Ongewijzigd herdrukt in 1571 (W 1125)
vierstemmig
geschreven volgens het principe van de "salmi a versi
senza risposti", waarbij verzen in het Gregoriaans afwisselen met
relatief eenvoudige vierstemmige zettingen. Sommige sluiten aan bij
eigentijdse werken in falsobordone.
Overal wordt gebruik gemaakt van de cantus firmus-techniek.
herdrukt in 1561 door Antonio Gardano, in 1565 door Francesco Rampazetto en in 1571 door
de zonen van Antonio Gardano
De eerste uitgave is slechts gedeeltelijk bewaard (o.m. 1
tenor in KBR te Brussel), maar de derde en de vierde editie is volledig
bewaard resp. in de Royal College of Music in Londen en de Bayerische
Staatsbibliothek in München.
Overal wordt gebruik gemaakt van de cantus firmus-techniek. Sommige werken, zoals de Magnificats, volgens de alternatim-praktijk.
In de volgorde van de uitgave:
Ad completorium
In festibus Beate Marie Virginis hymnus: Sumens illud ave
In die Nativitatis Domine antiphone:
Om een liturgische opbouw mogelijk te maken geeft de uitgave
op het einde volgende INDEX
A.Vespro primo In Nativitate Domini
Ad vesperas
Psalmi consueti cum suis Antiphonis
-Dixit
-Confitebor
-Beatus
-De profundis
-Memento
Antiphona: Tecum principium
Hymnus: Tu lumen tu splendor
Antiphona ad Magnificat: Hodie Christus natus est
Benedicamus Domino
B.Vespro secondo della Madonna
-Dixit
-Laudate pueri
-Laetatus sum
-Nisi dominus
-Lauda Jerusalem
Hymnus: Sumens illud ave
-Benedicamus in laude Jesu
C.Ad completorium
Psalmi, antiphone cum suo hymno et versiculis
-Cum invocarem
-In te domine
-Qui habitat
-Ecce nunc
Antiphona: Miserere mihi domine
Hymnus: Procul recedant somnia
Versiculi: In manus tuas
-Nunc dimittis
Antiphona: Salva nos domine
(Antiphona): Regina coeli laetare
Hymnus: Amatorem paupertatis
Hymnus: Respice clemens
(Antiphona ad Magnificat) Tempore Quadragesime et Adventu:
Anima mea dominum. Sexti toni
(Antiphona ad Magnificat) Aliis temporibus: Et exultavit
spiritus. Sexti toni
Zie: Wolfgang Horn, "Adrian Willaerts 'anderer
Vesperdruck'. Bemerkungen zu den Psalmvertonungen in I sacri e santi
salmi che si cantano a Vespro e Compieta" (zie bibliografie)
Ander liturgisch werk:
Magnificat del secondo tono (verloren, vermeld in SpataroC)
Zie Marco Longhini in het tekstboekje bij de cd-opname van Stradivarius
d. Het handschrift MS 13 in de Biblioteca Capitolare del Duomo te Treviso werd gekopieerd in 1563 naar de "libri del messer Adriano", die Willaert geschonken had aan zijn leerling en vriend Antonino Barges, kapelmeester aan de dom te Treviso. Het omvat 19 werken van Willaert waarvan 10 in Hymnorum musica te vinden zijn.
De 9 nieuwe hymnen zijn:
e. Het handschrift Fondo Musicale. MSS s.s. (3) in het Archivio del Duomo te Piacenza bevat naast motetten ook 21 hymnen. Alle die hymnen komen ook voor in Hymnorum musica, behalve volgende drie hymnen:
In 1525, ter ere van Francesco II Sforza, hertog van Milaan of Franciscus Maria delle Rovere:
Ca 1529-1532, ter ere van Ferdinand I van Habsburg
Haud aliter pugnans
In 1532, bezingt de roemrijke krijgsverrichtingen van kardinaal Ippolito de Medici tegen de Turken
In 1539:
In 1542:
In 1545, te Venetië, bij Gardano in zijn tweede boek vierstemmige motetten (nieuwe uitgave)
In 1561 gecomponeerd en in 1566 te Venetië door Antonio Gardano gepubliceerd in een madrigalenbundel van Cypriaan de Rore (Il quinto libro di madrigali a cinque voci)
Twee eigenzinnige canons over "drinken"
Vóór 1524:
1523 - 1524:
Slechts ca. 55 madrigalen zijn met zekerheid van de hand van
Adriaen Willaert. Een tiental toeschrijvingen zijn verkeerd of dubieus.
Over de stijlkenmerken van de madrigalen van Willaert, zie Bossuyt 1985, p. 127 - 134
Een historisch-kritische bespreking van de eerste uitgaven, zie de inleiding van Helga Meier in CMM vol. 14.
The early development of the Italian madrigal was fostered as much by foreigners as by natives, and the considerable contributions made by the 16th-century Flemish composers Jacques Arcadelt, Philippe Verdelot, and Adriaan Willaert should not be underestimated. Although Willaert's settings of the works of the 14th-century Italian poet Petrarch and other serious Renaissance poets maintain an invariably high contrapuntal interest and are frequently suitable for choral performance, his compositions in the lighter, more homophonic vein, are well worth acquaintance.
Willaert and his pupil Cipriano de Rore (d. 1565) brought the madrigal to a new height of expression through their sensitive handling of text declamation and the introduction of word painting. Emotional words such as joy, anger, laugh, cry were given special musical treatment but not at the expense of continuity. (Encyclopaedia Britannica)
Tussen 1534 en 1541 komen de voor in vijf
bundels, die verschijnen op naam van Philippe Verdelot.
a. 1534, Venetië, Andrea Antico en Ottaviano Scotto, Il secondo libro de
Madrigali di Verdelot, insiemi con alcuni altri . di Adriano (RISM 153416)
bevat 5 madrigalen van Willaert
b. [c. 1538], Venetië, A. Gardano, Di Verdelot le dotte
et eccellente compositioni de i Madrigali a cinque voci, insieme con altri
Madrigali di varii autori (RISM [1538]20)
c. 1538, Venetië, Ottaviano Scotto, Dei madrigali di Verdelotto et de altri eccellentissimi auttori a cinque voci, libro secondo.
d. 1540, Venetië, Girolamo Scotto, Di Verdelotto tutti li
madrigali del primo et secondo libro a quatro voci. Aggiontovi anchora
altri Madrigali novamente composti da Messer Adriano et da altri . (RISM
154020)
bevat 3 nieuwe madrigalen van Willaert
e. 1541, Venetië, Antonio Gardano, La piu divina et piu bella musica che se udisse giamai delli presenti madrigali: a sei voci composti per Verdelot, et altri musici... (RISM 154116 )
f. 1542, Venetië, Girolamo Scotto, Madrigali quatro voci
(RISM 154219)
Een verzameling vierstemmige madrigalen of villaneschen w.o.
vier nieuwe van Adriaen Willaert
g. tussen 1542 en 1563
zes anthologien verschijnen "de diversi autori",
waarin Willaert telkens met één enkel madrigaal vertegenwoordigd is, met uitzondering van de verzameling uit 1549 (RISM 154931 ), waarin twéé madrigalen zijn opgenomen. Deze beide waren reeds gedrukt bij Scotto in zijn verzameling van 1542 (RISM 154219)
Tussen 1544 en 1566, verschillende uitgaven, o.m.
h. Madrigali a cinque voci per theorica et practica da
lui composti al nuovo modo dal celeberrimo suo maestro ritrovato, libro
primo in 1546 in Venetië door Girolamo Scotto (RISM W 1119)
i. Cipriaan de Rore: vijf boeken vijfstemmige madrigalen bij
Gardano
Vanaf het tweede boek in 1544 t.e.m. het vijfde in 1566
komen er madrigalen van Willaert in voor, in totaal tien.
1544, Venetië, Antonio Gardano,
Di Cipriano il secondo libro di madrigali a cinque voci insieme alcuni di M. Adriano et altri autori (RISM 154417)
Di Cipriano il terzo libro.(RISM 155225)
Di Cipriano il quarto libro (RISM 155723)
-Ingrata è la madonna
Di Cipriano il quinto libro (RISM 156617)
-O socii durate (= O socii neque)
Werken van Cipriano (de) Rore met Willaert e.a. ook
bij Scotto:
j. 1548, Venetië, Girolamo Scotto, Di Cipriano (de)
Rore et di altri eccellentissimi musici il terzo libro di
madrigali
waarin volgende nieuwe madrigalen van Willaert (RISM 15489)
k. Musica Nova bevat 25 madrigalen naast 27 Latijnse
motetten
1559, Venetië, Antonio Gardano (RISM W 1126 - 1559a)
Alle teksten zijn sonnetten, genomen uit Petrarca's 'poesia da
lontananza' behalve sonnet nr 22 Quando nascesti amor (Panfilo Sasso).
Lees in Bossuyt 1985, p. 132 - 134 ook nog over de zinvolle opbouw in twee delen, de bezetting met mogelijkheden tot allerhande "klankkleuren" en de toepassing van het bembistisch principe van de "varietà".
Id.
p. 134: "Uit de madrigalen van de Musica Nova straalt Willaerts onvolprezen meesterschap over alle muzikale middelen, die zo prachtig gecombineerd en vooral ook gedozeerd zijn, dat hij met deze composities schitterende parels schiep, die als "klassieke" voorbeelden in het genre blijven gelden."
l. Madrigali a quatro voci di Adriano Willaert con alcuni
Napolitane, et la canzon de Ruzante .
1563, Venetië door Girolamo Scotto (RISM W 1130 -
1563)
(Fotokopie van de titelpagina in Bossuyt 1985, p. 139, afb. 43)
Een boek met 20 madrigalen en 8 canzonen, alle aan Willaert toegeschreven, maar in feite zijn er van de madrigalen 2 van Leonardus Barré en 6 van Arcadelt.
Onder de madrigalen van Willaert is
slechts één nieuw nummer, nl. :
m
. La eletta di tutta la musica intitolata corona. in 1569 gedrukt te Venetië door Antonio Gardano, bevat 10 vroeger reeds verschenen madrigalen van Willaert, o.m. enkele uit zijn Musica Nova.
(RISM 156920)
6. Villanesca of canzone villanesche
Aan de basis van de bloei van de Napolitaanse villanella in Noord-Italië ligt de sterke impuls die is uitgegaan van Adriaen Willaert, die zich overtuigd met deze artistiek minder hoogstaande, maar zeer aantrekkelijke muziek heeft ingelaten. Vijftien composities, bekend onder de algemene naam "villanelle" of "canzoni villanesche", staan op zijn naam.
Karakteristieken van de Napolitaanse villanescha zijn de driestemmigheid, de overwegend homofone schrijfwijze, gekenmerkt door syllabische declamatie, het melodische overwicht van de bovenstem, die vaak ontleend is aan een bestaand lied, de wisselende en vaak syncopische ritmiek en de strofische opbouw. Typisch is het geregeld gebruik van parallelle kwinten.
(Bossuyt 1985, p. 135)
De naam villanesca komt van het Latijn villanus,
wat "gemeen" betekent, dus gaat het over iemand van geringe afkomst.
De tekst van de villanesca bestaat gewoonlijk uit
vier symmetrische strofen waarbij het aantal regels kan variëren tussen
drie en acht. Meestal is er een refrein.
Er is een onderscheid te maken tussen de eigenlijke
villaneschen en enkele nevengenres, zoals
-
villotten ( volkse muziek, landelijk van oorsprong, en eigenlijk een danslied. Kende een grote bloei in Venetië tussen ca. 1520 en 1540. bijv. Sospiri miei en Un giorno mi prego. De tekst, met uitdrukkingen in Venetiaanse of Paduaans dialect, bestaat uit één enkele strofe van variabele lengte en zonder refrein. Typisch zijn de ingevoegde nonsens-lettergrepen - di ri don, to ri ron en ru ra ru rella in Sospiri miei. De schrijfwijze is doorlopend homofoon en zelfs overwegend homoritmisch. Bossuyt 1985 p. 138 )
- mascherata alla napolitana (vertoont dezelfde formele en stilistische kenmerken van de villaneschen, maar wijkt inhoudelijk daarvan af. Het bestaat nl. uit een eerder protserige serenade van een groep gemaskerden ten aanzien van dames van lichte zeden, doorspekt met dubbelzinnige woordspelingen. bijv. Cingari simo)
-
canzoni (De teksten, die toegeschreven worden aan Ruzante, waren oorspronkelijk gedichten van meerdere strofen met talrijke wendingen in dialect. Willaert nam alleen de eerste strofe over. Bijv. Occhio non fu giamai, Quando di rose d'oro en Zoia zentil.)
-het bicinium (een zeer populair genre, deels syllabisch, deels sterk melismatisch, met pedagogische bedoelingen geschreven)(één compositie: E se per gelosia)
-gregesche. (zie onder)
Zie ook Donna G. Cardamone. Canzone villanesche alla
Napolitana and villotte. Madison. 1978.
Ihan Gero. Il primo libro de madrigali italiani et canzoni francesi
a due voci, gedrukt in 1541 te Venetië door Antonio Gardano.
Eerste gedrukte villanescha van Willaert. (RISM 154114)
bevat: E se per gelosia
Girolamo Scotto zorgde voor de eerste uitgave villanellen
van Willaert, samen met enkele van Corteccia in 1544. (onvolledig bewaard en
moeilijk te reconstrueren)
Samen met Antonio Gardano, had Girolamo Scotto het monopolie
in het drukken van de villaneschen.
Hun bezonderste uitgaven waren:
a. Canzone villanesche alla napolitana di M. Adriano
Wigliaret a quatro voci con la canzona di Ruzante. Con la gionta di
alcune canzone villanesche alla napolitana di Francesco Silvestrino ditto
Chechin et di Francesco Corteccia ...
In 1544 te Venetië gedrukt door Girolamo Scotto en in 1945 herdrukt door
Antonio Gardano
(RISM W
1115 - 1545a)
Hoewel in de titel gedrukt staat "con la canzona di
Ruzante", wordt dit populaire lied pas in de uitgaven vanaf 1548
opgenomen.
b. Canzon villanesche alla napolitana di messer Adriano a
quatro voci con la canzon di Ruzante. Venetië, Antonio Gardano, 1548
Zelfde reeks met toevoeging van : Zoia zentil che
per secreta via (=la canzon di Ruzante)
c. Canzon villanesche alla napolitana di messerAdriano a
quatro voci con la canzon di Ruzante.
Venetië, Girolamo Scotto, 1548
Zelfde reeks als voorgaande uitgave
d. Canzon villanesche alla napolitana... Gardano, 1553
Zelfde reeks als voorgaande uitgave
e. Madrigali a quatro voci di Adriano Willaert con alcune
napolitane et la canzon de Ruzante. Scotto, 1563
Zes oudere nummers:
en twee nieuwe nummers:
f.
Di Manoli Blessi il primo libro delle Greghesche con la
Musica di sopra, composta da diversi autori
in 1564 gedrukt in opdracht van Antonio Molino
door Antonio Gardano. De teksten zijn gedichten van Manoli Blessi (pseudoniem voor Antonio Molino) en de benaming "greghesche" verwijst naar het "gregesca", de taal waarin die gedichten zijn geschreven. Dit bizarre taaltje bestaat eigenlijk niet maar is fictief en gecreëerd door de auteur als een mengeling van Venetiaanse en Griekse dialecten, hiertoe geïnspireerd door het straatleven in Venetië, die een smeltkroes was van verschillende nationaliteiten.
bevat van Adriaen Willaert: Dulce padrun
maar ook
twee treurzangen op zijn dood:
-Sassi, palae van Andrea Gabrieli en Pianza'l Grego Pueta van Alvise Willaert
(neef van Adriaen)
Antonio Molino en de kleurrijke wereld van de 16 de -eeuwse Venetiaanse greghesca
Dr. Prof. Katelijne Schiltz
Een bont gezelschap van natuurelementen - rotsen, zeewier, zoet- en zoutwatervissen, rivieren, ja zelfs zeemeerminnen - wordt in de eerste verzen van het merkwaardige gedicht Sassi, palae ten tonele gevoerd. De lijst van dode en levende materie uit flora en fauna lijkt onuitputtelijk...totdat uiteindelijk duidelijk wordt waarover het hier precies gaat. Al deze figuren worden namelijk opgeroepen om de dood van niemand minder dan Adriaan Willaert, de gewezen kapelmeester van de Venetiaanse San Marco-basiliek, te betreuren. Andrea Gabrieli zette de tekst met veel gevoel voor variatie op muziek: na de contrastrijke behandeling van de natuurelementen (via een voortdurende afwisseling tussen hoge en lage stemmen, syllabische en melismatische passages etc.) gebeurt de mededeling van Willaerts overlijden in een sobere, homofone schrijfstijl: 'O groot leed van de hele wereld, zal er ooit iemand zijn die in even mooie harmonie zijn gelijke zal zijn?'.
Het ietwat bevreemdende karakter van deze 'burleske treurzang' staat eigenlijk symbool voor de hele collectie waaruit dit werk afkomstig is, met name Di Manoli Blessi il primo libro delle Greghesche (Venetië, 1564). Alle teksten uit deze verzameling zijn geschreven door één persoon, met name Antonio Molino, naar wiens pseudoniem (Manoli Blessi) in de titel wordt verwezen. Zijn poëzie is een fictieve mengeling van Venetiaanse en Griekse dialecten, die de naam greghesca (meerv.: greghesche ) meekreeg. Dat dit bizarre taaltje niet door iedereen even gemakkelijk begrepen werd, blijkt onder meer uit het feit dat de drukker Antonio Gardano helemaal achteraan de bundel een lijst met 'verklarende termen' heeft opgenomen. Molino moet een boeiend en veelzijdig figuur zijn geweest: uit verschillende bronnen weten we dat hij actief was als dichter, maar ook als theaterman zou hij zijn sporen hebben verdiend in de ontstaansgeschiedenis van de befaamde commedia dell'arte . Bovendien liet Molino zich ook als componist niet onbetuigd. Zo bracht hij in 1568 en 1569 twee madrigaalbundels voor vier stemmen op de markt.
In meerdere documenten wordt Molino's voorliefde voor het spelen met en vermengen van vreemde talen en dialecten, waarvan de greghesca een perfect voorbeeld vormt, vermeld. Als we Lodovico Dolce's dedicatie tot I Fatti, e le Prodezze di Manoli Blessi (Venetië, 1561) mogen geloven, deed Molino (alias Manoli Blessi) zijn inspiratie hiervoor op tijdens zijn vele handelsreizen naar Griekenland, de Levant enz. Het is echter veel waarschijnlijker dat Molino met al deze vreemde talen nagenoeg dagelijks in zijn eigen stad in contact kon komen. Het 16 de -eeuwse Venetië was immers een smeltkroes van verschillende nationaliteiten, een kruispunt tussen Noord en Zuid, Oost en West, waarvan vooral de omgeving van de Rialto, met haar kleurrijke markten, het levendig bewijs vormde.
Molino zou zelfs een eigen Accademia di musica geleid hebben, waar hij zijn passie voor poëzie, muziek en theater de vrije loop kon laten. Het is dan ook niet ondenkbaar dat het ontstaan van de bundel Di Manoli Blessi il primo libro delle Greghesche in een dergelijke context gesitueerd moet worden. In de zelf geschreven opdracht tot deze collectie (eveneens in de lingua greghesca ) stelt Molino dat hij de componisten zelf heeft verzocht om zijn verzen op muziek te zetten. Indien dit effectief het geval was, kan men zich ook goed voorstellen dat een aantal van deze werken in Molino's Accademia hun première beleefden. Misschien was daarbij zelfs een scenische opvoering niet uitgesloten? Zeker de greghesche op het einde van de bundel, die zijn opgevat als dialogen (e.g. O vui greghette belle ), leveren hiertoe de nodige argumenten. Ook de twee ottave ( Li modi varij en Vegni un Cavalleri ), afkomstig uit de zesde zang van Molino's net genoemde werk I Fatti, e le Prodezze di Manoli Blessi - een parodie op Ariosto's bekende epos Orlando furioso-, maken de link met een theatercontext plausibel.
De bundel bevat muziek voor vier tot acht stemmen. De meeste componisten die we hierin aantreffen behoorden tot de top van het toenmalige Venetiaanse muziekleven: naast de Vlamingen Adriaan Willaert en Cipriano de Rore (diens opvolger als maestro di cappella aan de San Marco-basiliek) springen ook de Italianen Andrea Gabrieli, Claudio Merulo en Annibale Padovano in het oog. Maar de verbindingen reiken verder: naar Padua (Costanzo Porta), Milaan (Pietro Taglia) en zelfs Ferrara (Giulio Fiesco) en Mantua (Giaches de Wert). Vooral Andrea Gabrieli lijkt goed met Molino bevriend te zijn geweest. Hij droeg maar liefst zes werken tot de verzameling bij, terwijl de andere componisten met slechts één of twee (maximaal drie) greghesche vertegenwoordigd zijn. Daarnaast zette Gabrieli nog andere teksten van Molino op muziek, wat resulteerde in de Greghesche et iustiniane…a tre voci (Venetië, 1571). Bovendien is Gabrieli's tweede bundel vijfstemmige madrigalen (Venetië, 1570) niet alleen aan Molino opgedragen, maar bevat hij ook een madrigaal ter zijner ere, met name Molino, a le virtù tante e sì rare .
Qua inhoud en thematiek kan Molino's poëzie bijzonder divers worden genoemd. De topics in in Di Manoli Blessi il primo libro delle Greghesche reiken van panegyrische gedichten voor zangeressen (e.g. Pavolo come'l polo ) en smeekbeden tot vrouwen (e.g. Madonna, hormai mil vedo en Donna, se l'occhio mio ) over subtiele parodieën op de gedichten van Francesco Petrarca en Pietro Bembo (e.g. Cando pinso al turmendo , dat een rechtstreekse allusie is op Bembo's bekende Quand'io penso al martire ) tot twee lamenti op het overlijden van Willaert. Naast Gabrieli's hogerop vermelde Sassi, palae is namelijk ook het door Willaerts neef Alvise op muziek gezette gedicht Pianza'l Grego Pueta geschreven 'Nella morte d'Adrian'.
Dit brengt ons bij een interessant aspect van de bundel, met name de manier waarop door de precieze schikking van de werken een aantal narratieve lijnen duidelijk worden. Ik bedoel hiermee dat de volgorde van de greghesche niet aan het toeval is overgelaten, maar integendeel heel doordacht is. Wanneer men bepaalde stukken immers naast elkaar legt en leest / beluistert, ontdekt men niet zelden een soort van 'rode draad', die zorgt voor een logische aaneenschakeling van het ene werk naar het andere. Een voorbeeld mag dit illustreren. Zo is het geen toeval dat de twee 'treurzangen' ( Sassi, palae van Andrea Gabrieli en Pianza'l Grego Pueta van Alvise Willaert) op de dood van Adriaan Willaert in de bundel onmiddellijk worden voorafgegaan door twee werken ( V'ha ben casun van Daniele Grisonio en Dulce padrun van Willaert zelf), waarin de dood van een klein hondje ('cagnolo') centraal staat. De confrontatie tussen beide paren wekt natuurlijk een burlesk effect op: het sterven van een diertje en dat van de 'grote kapelmeester van de San Marco-basiliek' wordt hier als het ware op gelijke voet behandeld! Het feit dat de twee 'cagnolo'-werken, waarin ook sprake is van de hondster Sirius, op hun beurt worden voorafgegaan door Pavolo come'l polo , dat onder meer de poolster vernoemt, toont aan dat ook hier bewust gezocht is naar gemeenschappelijke elementen die de overgang van de ene greghesca naar de andere heel soepel doet verlopen.
Door het ontdekken van dergelijke subtiele verhaallijnen, maar ook door het rijk geschakeerde karakter van Molino's lyriek en de vele intertextuele verbanden met bestaande poëzie ontpopt de bundel Di Manoli Blessi il primo libro delle Greghesche , die Molino met veel zorg blijkt te hebben samengesteld, zich tot een bijzonder project. Ook de muziek bekrachtigt deze intentie. Niet toevallig zijn, zoals hogerop gezegd, zowat alle betekenisvolle figuren van de muzikale wereld in en rond Venetië bij Molino's ambitieuze project betrokken. Nu eens refereren hun greghesche door de akkoordische, homofone schrijfstijl en de herhalingsstructuren aan de eenvoudigere, ietwat volksere genres. Dan weer leunen ze door het gebruik van chromatiek, tekstexpressie, ritmische contrasten en de polyfone motief- en stemmenbehandeling aan bij de verfijning van het contemporaine Italiaanse madrigaal. Deze collectie greghesche ontvouwt zich in haar talige en muzikale rijkdom voor toeschouwer en luisteraar als een verhaal op zich, als een boeiende getuige van het veelgelaagde culturele leven in het 16 de -eeuwse Venetië.
7. Chansons
Tussen 1520 en 1560 werden 60 à 65 chansons gepubliceerd,
waarvan er een aanzienlijk aantal later nog werd herdrukt.
De voornaamste verzamelingen zijn:
a. Motetti novi e chanzoni franciose a quatro sopra doi (RISM
15203)
in 1520 in Venetië door Andrea Antico
bevat van Willaert 6 vierstemmige chansons
Het zijn alle vierstemmige composities, maar waarvan slechts
twee stemmen genoteerd zijn, omdat zij uitgewerkt moeten worden als
dubbelcanons - vandaar de vermelding in de titel "a quatro soper doi".
(Bossuyt, 1985, p.144)
1528 gewijzigde herdruk van de Motetti novi e chanzoni
franciose uit 1520 van Andrea Antico door Pierre Attaingnant onder de titel Six Gaillardes et six pavanes avec onze chansons musicales a quatre parties... (RISM
[1528]/9)
met toevoeging van:
b. 1535 en 1536. Venetië, Andrea Antico en Ottaviano Scotto, Il primo (secondo) libro de le
canzoni franzese. (RISM [15358 en 9
])
bevat volgende nieuwe nummers:
c. La Couronne et Fleur des chansons a troys (RISM
[15361])
in 1536 in Venetië gedrukt door Antonio dell'Abbate en
Andrea Antico
Bevat 41 nummers, waarvan volgende 21 driestemmige chansons van
Willaert:
zie: Bernstein, Lawrence, ed., La Couronne et fleur des chansons a
troys, New York 1984 (zie bibliografie)
"Vermoedelijk werden (de driestemmige) chansons
geschreven tijdens zijn eerste jaren in Italië, dus tussen 1515 en 1521, of
misschien stammen ze reeds gedeeltelijk uit zijn Parijse tijd. Een gedeelte
sluit aan bij de parafrasetechniek van het Moutontype. (.) Een tweede
groep chansons wordt gekenmerkt door syllabische declamatie-motieven,
beknopte intonaties, een levendig ritme en een overzichtelijke opbouw,
waarbij alle elementen duidelijk in dienst staan van een perfecte aanpassing
van de tekst aan de muziek. Ze mogen geplaatst worden tussen 1528 en 1536.
Een derde groep chansons neemt een tussenpositie in: het
zijn arrangementen à la Mouton, maar met trekjes die verwijzen naar het
opkomende Parijse chansons, zoals de syllabische schrijftrant en de
doorzichtige symmetrische structuur." (Bossuyt, 1985, p. 144)
"Willaerts driestemmige chansons hadden bij de
uitgevers blijkbaar een groot succes, want veel van die chansons werden
opgenomen in latere publicaties zoals die van Jacques Moderne in Lyon
(1539), Adrian le Roy en Robert Ballard in Parijs (1560), Girolamo Scotto in
Venetië (1562) en Pierre Phalèse in Leuven (1569)."
zie Thomas, Bernard. Adrian Willaert. 13 Chansons. London Pro
Musica. Londen. 1978, p.ii
(uitgave met korte uitleg en de vertaling in het Engels)
d. Selectissimae necnon familiarissimae cantiones. Besonder ausserlessner kunstlicher lustige Gesang mancherley Sprachen.(RISM
15407)
in 1540 te Augsburg gedrukt door Melchior Kriesstein
bevat 7 werken van Willaert, o.a. een viertal nieuwe:
e. Le quatriesme..., Le cinquiesme.... en Le sixième Livre (RISM
154412, 154413 en 154514)
Tussen 1544 en 1545 te Antwerpen gedrukt door Tielman Susato
Een uitgebreide chansonanthologie in zes delen
Bevat 7 vier-, vijf- en zesstemmige chansons van Willaert, waarvan 5 nieuwe.
Vier zijn met een canon.
f. 1550, Antwerpen, Tielman Susato : Le treziesme livre contenant vingt & deux chansons nouvelles à six et à huyt parties . (RISM 155014)
-Qui veult aymer il fault estre ioyeux (canon in subdiapason)
g. 1560, Parijs, Adrian Le Roy & Robert Ballard, Cincquiesme
livre de chansons composé à troys parties. nouvellement imprimé en
troys volumes. (RISM 1560 - W 1127 )
Twintig chansons, alle overgenomen uit La Couronne et
fleur des chansons uit 1536 van Andrea Antico, met uitzondering van de
canon Sy je ne voy mami, die Le Roy reeds in 1553 had gepubliceerd in
zijn Tiers livre de chansons à 3. (RISM 1553/22)
Herdrukt in 1562 en 1578
h. 1560, Parijs,
In hetzelfde jaar publiceren Le Roy & Ballard een reeks
meestal nieuwe chansons van Willaert: Livre de meslanges contenant six
vingtz chansons des plus rares, et plus industrieuses qui se trouvent, soit
des autheurs antiques, soit des plus memorables de nostre temps (Lesure
68). Licht gewijzigd herdrukt in 1572 onder de titel Mellange de chansons.
Bevat een 25-tal composities van Willaert, waarvan de volgende tot dan toe nooit verschenen:
h. Il terzo libro delle muse a tre voci, di canzon francese
di Adrian Willaert, nuovamente con alcune d'altri autori insieme
ristampate et con somma dilligenza corrette
in 1562 te Venetië gedrukt door Girolamo Scotto (RISM W
1129 - [15629])
Alle nummers hernemingen van 1536 behalve
Zie vooral de uitgave van Courtney S. Adams.
French Chansons for three voices (ca. 1550).
Part I: Three-Part Chansons Printed by Gardane (1541/13)
Part II: Three-Part Chansons Printed by Gardane (1543/21).
The Tiers livre de Chansons Printed by Le Roy and Ballard (1553/22)
A-R Editions, Inc. Madison 1982
"During the sixteenth century, chansons appeared in
large numbers and in diverse forms. The pieces in the three
source-anthologies selected for this edition illustrate the wide variety of
styles present in the three-part French chanson from the early years of the
century to 1553. Although two of these sources were published in Venice (in
1541 and 1543), their editor was Antoine Gardane, a Frenchman newly arrived
in Italy. A composer as well as an editor, he no doubt had close contact
with French musical taste. The third source-volume, issued by Le Roy and
Ballard in Paris, appeared in 1553, shortly after the firm began its
publishing operations."
Ed. Jane A. Bernstein, Adrian Willaert. The Complete Five
and Six-Voice Chansons (zie bibliografie)
"In zijn chansons zet Adriaan Willaert grotendeels de
Moutontraditie verder. Zijn eerste probeersels zijn als het ware
compositie-oefeningen, die vooral zijn technische vaardigheid moeten
illustreren. (Bossuyt, 1985, p.144)
8. Instrumentale muziek: ricercars
Musicologische informatie: Ignace Bossuyt. "Woord vooraf " bij de facsimile-uitgave van de Fantasie recercari
contrapunti a tre voci, Peer 1986
(reeks A)
Musica Nova, accommodata per cantar et sonar sopra organi et
altri strumenti, composta per diversi
eccellentissimi musici.
in 1540 te Venetië uitgegeven mogelijk door Andrea
Arrivabene
Ignace Bossuyt 1986: "Een tamelijk slordige en
typografisch niet zo aantrekkelijk uitgebrachte Venetiaanse verzameling van
21 vierstemmige ricercars"
Bevat drie vierstemmige ricercars van Adriaen Willaert: de
nummers 1, 10 en 14 (onze nummering: A1, A2 en A3).
Ook een vierde en vijfde ricercar wellicht van Willaert of
misschien eerder van Julio da Modena: de nummers 6 en 13 (onze nummering: A4
en A5)
Bewaard met één enkel exemplaar van de bassus (Bibliotheca
del Conservatorio, Bologna)
gerestaureerd aan de hand van een latere Franse druk: Musicque
de Joye. Appropriée tant a la voix humaine, que pour apprendre a sonner
Espinetes, Violons, & fleustes.
Deze latere uitgave werd te Lyon door Jacques Moderne gepubliceerd (wellicht tussen 1547 en 1556) onder de titel
MUSICQUE DE JOYE . Willaert zou hier
vertegenwoordigd zijn met nog twee ricercars, die niet in de MUSICA NOVA
staan. Dit zesde en zevende ricercar kan echter evenzeer toegeschreven
worden resp. aan Julio da Modena en aan Gabriel Coste, (onze nummering A6 en
A7)
(RISM 155024 - zie onder)
Zie commentaartekst van Beatrice Barazzoni bij de cd 21/VII
en van H.C. Slim in de inleiding tot de moderne uitgave in Monuments of
Renaissance Music, uitg. dr. E. Lowinsky, 1, (Chicago - Londen, 1964).
(reeks B)
Motetta trium vocum ab pluribus authoribus
in 1543 te Venetië gedrukt door Antonio Gardano
herdrukt in 1551 en 1569.
bevat 4 ricercars, elk in een eigen tonaliteit, vermoedelijk
bedoeld als orgelintonaties die konden gespeeld worden vóór de
uitvoering van een der motetten. (onze nummering: B1, B2, B3 en B4)
(reeks C)
RISM B/I 154934
Venetië. Hieronymo Scotto. Fantasie, et recerchari a tre
bevat bevat 13 werken van Girolamo Tiburtino en acht ricercars van
Adriaen Willaert
vindplaats :
GB. Londen. British Library
I. Bologna. Museo internazionale e biblioteca della musica
digitaal :
(Londen) http://digirep.rhul.ac.uk/items/54c31d9f-d737-ca5d-d88f-56e7f801c30a/1/
(Bologna) (slechts enkele bladzijden)
http://badigit.comune.bologna.it/cmbm/images/ripro/gaspari/_U240/U240C_00r.asp
Kidger : p. 97 - 98
Fantasie, recercari, contrapunti a tre voci di M. Adriano et de altri autori appropriati per cantare et sonare d'ogni sorte
di strumenti, con due Regina coeli, l'uno di M. Adriano et l'altro di M.
Cipriano, sopra uno medesimo canto fermo
In 1551 te Venetië gedrukt door Antonio Gardano (RISM W
1121 - 1551/16)
Gewijzigde herdruk van de Fantasie et recerchari a tre
voce door Girolamo Tirburtino / Girolamo Scotto uit 1549.
bevat 7 ricercars uit die eerste editie van 1549 (C2 - C3 - C4 - C5 - C6 -C7 - C8) en 2 nieuwe (C1 en C9)
In 1559 en 1593: nieuwe herdrukken door Antonio Gardano
Zie de facsimile-uitgave uit 1986 door Musica, Peer (met
inleiding door Ignace Bossuyt) en de uitgave in moderne partituur bij Schott
(ANT 135) uit 1933 door Herman Zenck met commentaar, beide van de druk uit
1559.
Nummers van de ricercars
reeks A: Ricercars a 4 - Musica nova en Musicque de Joye
|
A.W.F.- |
oeuvre |
Kidger |
Musica Nova |
Musicque de Joye ca. 155024 |
|
A1 |
436 |
I015 |
1 |
3 |
|
A2 |
437 |
I016 |
10 |
4 |
|
A3 |
438 |
I017 |
14 |
21 |
|
A4 |
439 |
I019 |
6 |
8 |
|
A5 |
440 |
I020 |
13 |
17 en 20 |
|
A6 |
441 |
I018 |
----- |
7 |
|
A7 |
442 |
----- |
----- |
24 |
reeks B: Motecta trium vocum
|
A.W.F. |
oeuvre |
Kidger nr |
Antonio Gardano |
|
B1 |
443 |
I001 |
XXVI - in re |
|
B2 |
444 |
I002 |
XXVII - in mi |
|
B3 |
445 |
I003 |
XXVIII - in fa |
|
B4 |
446 |
I004 |
XXX - in sol |
reeks C: Fantasie et recercari (contrapunti) a tre voci
|
A.W.F. |
oeuvre |
Kidger nr |
154934
nr / pag. |
155116 / 155925 / nr / pag. / ondertitel |
ed. Judd nr / pag. |
ed. Zenck nr / pag. |
ed. Flor Peeters jaar / nr / pag. |
|
C1 |
447. |
I013 |
----- |
3 / 5
|
3 / 14-23 |
1 / |
----- |
|
C2 |
448. |
I010 |
31 / 27 |
4 / 7 segondo
|
4 / 24-32 |
2 / |
1949 / 14 / 36-39 |
|
C3 |
449. |
I009 |
30 / 26 |
5 / 9
|
5 / 33-42 |
3 / |
----- |
|
C4 |
450. |
I007 |
28 / 24 |
6 / 11
|
6 / 43-54 |
4 / |
----- |
|
C5 |
451. |
I005 |
26 / 22
|
7 / 13 |
7 / 55-65 |
5 / |
----- |
|
C6 |
452. |
I006 |
27 / 23 |
8 / 15
|
8 / 66-73 |
6 / |
1938 / 10 / 24-27 |
|
C7 |
453. |
I011 |
32 / 28 |
9 / 17
|
9 / 74-81 |
7 / |
1945 / 15 / 36-39 |
|
C8 |
454. |
I008 |
29 / 25 |
10 / 19
|
10 / |
8 / |
------ |
|
C9 |
455. |
I014 |
----- |
12 / 23 decimo
|
12 / |
9 / |
1938 / 9 / 22-23 |
|
C10* = C5
|
456 |
----- |
33 / 29 |
----- |
----- |
----- |
----- |
|
D1 |
456. |
i021 |
----- |
-----
|
----- |
----- |
---- |
*C10 is hetzelfde ricercar als C05, maar een kwart lager.
9. Intavolatura de li madrigali di Verdelotto da cantare et
sonare nel lauto, intavolati per Messer Adriano
(RISM W 1104 en W 1105 en ook V1224 en V1225)
Deze publicatie uit 1536 van Andrea Antico en Ottaviano Scotto bestaat uit 22 bewerkingen voor luit en stem door Adriaen Willaert van vierstemmige madrigalen van Verdelot. Een eigenaardig repertoire, interessant om uit te voeren op kamerconcerten, maar waar musicologen nogal wat vragen bij hebben. Het gebruik om liederen te zingen door een solostem met luitbegeleiding was in die tijd wel gebruikelijk voor de meer luchtige "frottola", maar de madrigalen werden gezongen door polyfone vocale groepen. Die bewerkingen gaf men de naam "intabulaties", omdat de notatie voor de luit gebeurde niet op de traditionele manier met noten op notenbalken, maar met letters die de vingergrepen aanduidden. Waarom heeft Willaert die madrigalen bewerkt? Er zijn geen andere bewerkingen in dat genre van Willaert bekend. Ook niet van eigen madrigalen. Om hulde te brengen aan Verdelot? Waarom heeft Verdelot zelf die intabulaties niet geschreven? Misschien omdat hij geen luitist was? Zou het kunnen dat de bewerkingen toch niet van Willaert zijn, maar dat de uitgevers de naam van de beroemde koorleider van de San Marco hebben misbruikt om de uitgave te kunnen verkopen? Die uitgave heeft een tweede (ongewijzigde) druk gehad in 1540 door Gerolamo Scotto. Het genre heeft dan een groot succes gekend en ligt wellicht mee aan de basis van de ontwikkeling van het ernstige sololied.